Drie gesprekjes om de sfeer van een ochtend WKZ weer te geven:
Gesprekje 1
Op Pauw sprak ik gisteren met een mevrouw die ik nog niet kende. We informeerden naar elkaars kinderen. Haar dochtertje moest worden gecontroleerd wegens een erg klein hoofdje. Haar eerste kind had ook een te klein hoofd en loopt achter in de ontwikkeling, maar dat ging verder wel goed, zei ze. Alleen gaat alles wat langzamer. En hij (wijzend naar Boris)? Is hij hier voor een dagopname? Hij krijgt vandaag zijn chemo, antwoordde ik, waarop de vrouw zei "dat ken ik niet". Ik zei nog een keer dat hij chemotherapie volgde en de vrouw zei nogmaals "dat zegt me niets". Hij heeft een ziekte die lijkt op leukemie, legde ik uit. Geen reactie. Een soort kanker, voegde ik er aan toe. O..., zei ze nog steeds niet echt begrijpend. Toen begreep ik het niet meer. De vrouw sprak vloeiend Nederlands, was vriendelijk, keek helder uit haar ogen. Wel had ze ook zelf een klein hoofd....
Gesprekje 2
Een meisje, E., van rond de negen komt binnen bij ons op de kamer. Haar vader duwt haar in haar rolstoel. Ze heeft een gebroken been en een doekje om haar kale hoofd. Ze weet pas sinds kort dat ze leukemie heeft en is aan haar eerste behandelperiode bezig van vier dagen iedere dag kuren. Haar vader spreekt met de moeder van een andere patiënte, I. (13?), bij Boris op de kamer. In oogcontact doe ik ook mee aan het gesprek. De vader zegt dat E. ook al voor de leukemie niet goed op haar been kon staan. Is er een verband tussen de leukemie en het niet goed functionerend been? De onderzoeken die E. kreeg om zenuwactiviteiten te meten hadden ze gestaakt omdat E. het hele ziekenhuis bij elkaar gilde van de pijn.
De moeder van I. zegt dat het heel intensief moet zijn, die eerste periode waarin E. nu zit. Zelf zijn ze halverwege. I. heeft bijna een jaar achter de rug. De moeder van I. vraagt of ze de zorg wel rond krijgen voor E. Stuk voor stuk vragen die ik herken. Die herkenning vind ik fijn, ook al raak ik er ook van geëmotioneerd.
Aan leukemie-patiënte I. vraag ik of het jaar snel of langzaam is gegaan. Vanuit haar bed antwoordt ze met bleek gezicht, donker ogen, dat de zomer wel snel ging (toen fietste ze af en toe nog), maar dat dat nu wel heel ver weg leek (nu kon ze nauwelijks lopen door bijwerkingen medicijnen).
Gesprekje 3
De afgelopen keren zag ik steeds in een van de patiëntenkamers op Pauw, een heel aardig, ontspannen ogende moeder die aan het bed zat bij twee kinderen. Allebei de kinderen zaten met hun arm aan het infuus gespalkt. Zouden ze twee kinderen hebben die ziek zijn? vroeg ik mij af. Gisteren was ze er weer met het jongen en het meisje en vroeg ik haar: "Heb jij nou twee kinderen die ziek zijn?" Ja, zei ze, of nee, eigenlijk vier. Alle vier haar kinderen bleken een stofwisselingsziekte te hebben en moeten vaak naar het ziekenhuis voor een shot (waarvan zei ze niet) wanneer hun weerstand te zeer daalt...Maar, zei ze, we zijn er al helemaal aan gewend. Het is voor ons gewoon geworden.